Een landschap fotograferen lijkt simpel: je staat ergens moois, je richt de camera en klaar. Toch zien veel foto's er vlak uit vergeleken met wat je zelf zag. Meestal zit het verschil in het licht en in wat je in beeld laat.
Het licht vlak na zonsopkomst en vlak voor zonsondergang is zacht en warm, en de schaduwen vallen lang. Dat geeft diepte aan weilanden, duinen en bossen. Midden op de dag staat de zon hoog, waardoor alles hard en contrastrijk wordt. Bewolkte dagen zijn niet erg: een egale lucht werkt goed in het bos en bij water.
Zoek een voorgrond. Een hek, een pad of een groepje bloemen geeft het oog een ingang en laat het landschap groter lijken. Let ook op de horizon. Een schuine horizon haalt de rust uit een foto, en een lijn precies door het midden verdeelt het beeld in twee gelijke helften. Zet de horizon liever op een derde van boven of onder.
Kom op dezelfde plek in een ander seizoen terug. Je ziet dan pas hoeveel een bekende plek kan veranderen, en je leert er meer van dan van tien nieuwe locaties in één weekend.